WELKOM OP 'ZICHT OP ZIEN'

OVER DE LISTEN, LUSTEN EN LASTEN VAN DE WAARNEMING

zondag 3 juni 2012

GEZICHTSHERKENNING EN BARCODES

Er gaat geen dag voorbij of we hebben wel te maken met mensen. Dat kunnen vrienden, bekenden en familie zijn, maar ook wildvreemden. Van bekenden weten we dat we ze kennen, maar hoe weet je dat je iemand niet kent?
Volgens recent interessant Brits onderzoek komt gezichtsherkenning bij mensen tot stand op basis van een soort 'barcodes'. Bij het herkennen van gezichten letten we niet op details, maar op algemene kenmerken. Wat echter nog belangrijker is: deze algemene kenmerken blijven door de tijd tamelijk stabiel. Horizontale oriëntatie blijkt bijzonder informatief voor gezichtsherkenning, omdat ieder gezicht zich kenmerkt door een afwisseling van lichte en donkere banen. Daarbij kunnen we denken aan haarlijn (donker), voorhoofd (licht), wenkbrauwen (donker), mond (donker), kin (licht) etc.
Aan de hand van een foto van Marlon Brando ziet dit er als volgt uit:

Gezichten veranderen naarmate ze ons vertrouwder voorkomen. We raken aan ze gewend. Dat verklaart waarom gezichten die bij de eerste ontmoeting een enorme indruk maken, zowel in positieve als negatieve zin, in de loop van de tijd hun opvallende trekken verliezen.

Het vermogen tot gezichtsherkenning is niet aangeboren. De vaardigheid om het te leren wel. Pasgeborenen hebben speciale aandacht voor gezichten. Hersencentra die bij gezichtsherkenning betrokken zijn, worden na een paar maanden geactiveerd. Baby's hebben geen enkele moeite om het gezicht van hun moeder van andere gezichten te onderscheiden. Zij letten daarbij vooral op de globale kenmerken.
Baby's lijken ook geen last te hebben van het inversie-effect. Dit is het effect waarbij we omgekeerde gezichten langzamer herkennen dan gezichten die we rechtop waarnemen. Dit verschijnsel treedt pas op in de vroege schooljaren. In de puberteit is het vermogen tot gezichtsherkenning volledig voltooid; niet alleen het vermogen tot herkenning, maar ook van beoordeling. We zijn dan in staat om het geslacht en de leeftijd van de ander te bepalen. We hebben een oordeel over de aantrekkelijkheid van een persoon en – nog een stapje verder – we vormen een beeld van het karakter en de intenties van de ander.

Gelaatsuitdrukkingen roepen ook reacties op. We lachen als iemand lacht, geeuwen als de ander geeuwt en willen troosten als we zien dat iemand verdriet heeft. Maar gelaatsuitdrukkingen, samen met belichting en beweging zorgen er ook voor dat een gezicht steeds verandert. Dit betekent dat er iets bestaat waardoor we in staat zijn achter deze veranderingen ook gelijkblijvendheid te ervaren.
Dit noemen we de identiteit van de persoon die we herkennen.

Dit brengt ons bij de vraag hoe gezichtsherkenning in zijn werk gaat.

Om te beginnen kunnen we constateren dat we zelfs bij zeer lage resoluties nog in staat zijn een gezicht te herkennen. De middelste portretfoto van Albert Einstein zal ook zonder de scherpe afbeelding als hulp nog wel herkennen, zeker als we deze van enige afstand bekijken. Bij de rechterafbeelding zal het een stuk moeilijker zijn, maar zelfs dan nog zullen mensen het karakteristieke hoofd thuis kunnen brengen.
Zoals eerder geconstateerd: gezichtsherkenning is niet afhankelijk van details. We letten vooral op de grote lijnen. Wat wel opvalt: een gezicht is onherkenbaar als we de toonwaarden omdraaien.
Kijk maar:


Einstein in negatief kunnen we moeilijk duiden. Dat komt omdat dit een situatie is die we nooit zullen tegenkomen. Vaag en onscherp zicht komt in het dagelijks leven wel regelmatig voor. De lichtomstandigheden verschillen immers van moment tot moment en bij iemand op afstand onderscheiden we de details van het gezicht nauwelijks. We moeten daarom dus kunnen vertrouwen op summiere informatie om een indruk te krijgen. Dit is wel verbonden met een natuurlijke verdeling van lichte en donkere partijen. Op een negatief beeld is dat afwezig.
Als je wilt weten hoe het staat met je vermogen gezichten te herkennen, is deze test een aanrader.

zaterdag 12 mei 2012

POLITIEKE KLEUREN

Waarom kleurt het socialisme rood en liberalisme blauw? Gelden deze 'ouderwetse' associaties eigenlijk nog wel in deze tijd van politieke instabiliteit en zwevende kiezers? Actuele vragen met het oog op de komende verkiezingen na de val van Rutte-1. 

Kleur en het SCP 
In een bijdrage aan de nieuwjaarsuitgave 2011 van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat geheel aan het thema kleur is gewijd, schrijft de politicologe Josje den Ridder over de politieke betekenis van kleuren. Politieke partijen maken gebruik van kleuren om hun positie te markeren en herkenbaar te zijn voor kiezers. Rood staat daarbij natuurlijk voor de sociaal-democratische en socialistische stromingen. Zowel PvdA als de SP gebruiken de kleur zeer nadrukkelijk om zich te profileren. Bij de PvdA vinden we nog blauw als steunkleur.
GroenLinks heeft naast rood ook groen in haar logo. Groen is de kleur van duurzaamheid, het milieu en ecologie. Maar groen heeft nog meer betekenissen. Het is ook de kleur van de hoop en zondagen buiten de Kerst- en Paastijd, Advent en Veertigdagentijd. Dat zou de reden zijn waarom het logo van het CDA sinds 1977 groen is.
Met dat laatste was D66 weer niet echt gelukkig, omdat zij in 1966 al zeer nadrukkelijk gekozen hadden voor groen om de partij te presenteren. Nu niet omwille van zondag, maar mogelijk als associatie met frisheid, onbevangenheid en vernieuwing. Groen is immers naast de kleur van de hoop ook de kleur van het ontluikende leven, het voorjaar en vruchtbaarheid.
Blauw vinden we vooral bij liberalen en conservatieven. We zien het terug bij de VVD, maar ook bij de SGP (na het eerste kabinet Rutte zijn we - wellicht meer dan voorheen - geneigd een verband tussen deze twee ogenschijnlijk tegengestelde partijen te zien). Ook de CU maakt volop gebruik van blauw. Dat zou te maken hebben met de overtuiging dat blauw staat voor stabiliteit en betrokkenheid.
Ook oranje komen we tegen. Het CDA gebruikt het incidenteel als steunkleur, terwijl zowel de VVD als (alweer) de SGP ook oranje in hun logo voeren. Voor de laatste partij zal dat vooral te maken hebben met de betrokkenheid bij het koningshuis en heeft het een duidelijk nationalistische betekenis (God, Oranje en Vaderland).
Den Ridder komt met het volgende overzichtje:

Haar conclusie: 'Bij rood is het duidelijk dat het om een linkse partij gaat, maar kan het nog steeds op drie partijen slaan. Bij groen en blauw geldt dat partijen van heel verschillende gezindtes zich met dezelfde kleur afficheren. Groen kan verwijzen naar milieubewust of christelijk. Blauw kan staan voor liberaal of conservatief. Kleuren in de politiek zijn dus lang niet zo universeel als we altijd denken en sommige kleuren worden niet gekozen vanwege hun ideologische betekenis, maar omdat ze een bepaalde uitstraling hebben. (…) Op de eerst rij zien we in de volgorde rood, groen en blauw een bijna perfecte links-rechts schaal. Rood is links. Rechtse partijen voeren de kleur blauw. En middenpartijen kiezen voor groen. Eigenlijk heel simpel. Alleen voor het rood-wit-blauw van de PVV is nog geen plek. Of zou het ermee te maken hebben dat deze partij rechts (blauw) is op cultureel vlak en links (rood) op economisch gebied?' 

Eigen kleuronderzoek
In 2009 heb ik zelf onderzoek gedaan naar kleur en de emotionele betekenis die respondenten aan kleuren toekennen.
In dat onderzoek vroeg ik ook naar de politieke voorkeur: 'Hoe zou u gevoelsmatig uw politieke voorkeur beschrijven als het gaat om sociaal/economische onderwerpen, als inkomensverdeling, belastingdruk etc.? We gaan hierbij uit van een verdeling langs 'klassieke' lijnen, waarbij links staat voor sociaal-democraten en socialisten; midden voor christen-democratie en rechts voor het liberale gedachtegoed'.
De volgende vraag was welke kleur men aan deze voorkeur koppelde.
Van de respondenten die aangaven links te zijn, gaf de helft de voorkeur aan rood en een kwart aan groen. In het 'midden' koos men voor 23 procent blauw en 17,5 procent voor groen. Bij rechts liet 40 procent de voorkeur uitgaan naar blauw.
In een grafiek ziet dat er als volgt uit:

Naast de sociaal-economische agenda bestaat er ook nog een politiek-culturele agenda.
De vraag hierbij: 'Hoe zou u gevoelsmatig uw politieke voorkeur beschrijven als het gaat om sociaal/culturele onderwerpen, waarbij de nadruk ligt op zaken als emancipatie, drugsbeleid, integratie etc.? We gaan hierbij uit van een verdeling langs lijnen van 'vrijzinnigheid'. 'Progressief' staat voor tolerantie ten opzichte van andersdenkenden, seksuele geaardheid en drugsbeleid, terwijl 'conservatief' staat voor gedachtegoed dat er de voorkeur aan geeft de traditionele waarden en normen van de Nederlandse gemeenschap centraal te stellen'.
Ook deze vraag werd gevolgd door de kleur die de respondent daaraan koppelde.

Progressieven gaven hier nog steeds de voorkeur aan rood, maar het percentage bedroeg nu maar 29 procent, terwijl groen goed was voor 17 procent. Geel en oranje zijn prominent aanwezig met resp. 13 en 17 procent. Met andere woorden: het is een kleurrijke boel met een sterke voorkeur voor warme kleuren.
In het midden stemde 23,5 procent voor blauw en 20 procent voor groen. Meer dan 30 procent ging in totaal naar oranje, rood en violet.
Wie zichzelf als conservatief beschouwt geeft aan blauw en groen de voorkeur (25 en 19 procent). Grijs doet het hier met 12,5 procent op de derde plaats erg goed.
Economische onderwerpen roepen blijkbaar traditionelere kleurassociaties op dan sociaal-culturele. De 'economische kleuren' lopen nog langs traditionele partijlijnen en –logo's, getuige de sterke voorkeur voor rood bij linkse kiezers en blauw bij rechtse. Bij de sociaal-culturele onderwerpen is dit nog steeds het geval, maar is er sprake van meer diversiteit.

maandag 7 mei 2012

IN EN UIT DE PAS

Op 15 april 2012 keek ik met een half oog naar de koplopers van de Rotterdam Marathon op televisie. Yemane Adhane en Getu Feleke renden onder de kubuswoningen langs Station Blaak het punt van de veertig kilometer voorbij. Ze liepen naast elkaar en gedurende enige tijd precies in de pas.
Van de zijkant gezien leek het bijna alsof er maar één renner was. Na enkele seconden veranderde dit en waren er ineens vier benen met twee paar verschillend gekleurde sportschoenen te zien die bij één lichaam leken te horen.
Dit duurde een aantal passen en als door een onzichtbare hand synchroniseerden de vier benen weer in één beweging dat een aantal passen aanhield om vervolgens weer uit elkaar te gaan lopen.


Een fascinerend gezicht: bekijk het filmpje en let vooral op het (a)synchroon lopen van de benen.

vrijdag 4 mei 2012

HET TASTENDE OOG

Waarnemen gaat vanzelf, zo lijkt het. Het is zo alledaags dat we er nauwelijks bij stilstaan hoe het in z'n werk gaat. We nemen kennis van het resultaat; een afbeelding op het netvlies die via de hersenen in een beeld van de wereld resulteert.

Bij het kijken komt er echter nogal wat van pas. Zo blijkt de informatie waar we naar zoeken van groot belang voor de manier waarop we met onze ogen de buitenwereld 'aftasten'. Dit kunnen we nagaan door het registreren van oogbewegingen. Dit zijn tamelijk willekeurige sprongen, saccades genaamd, tussen verschillende punten die ons interesseren. Een saccade of oogsprong is een beweging van de ogen die tot doel heeft een nieuw fixatiepunt te vinden.
Deze oogsprongen komen in de oogmotoriek zowel voor bij het lezen als bij het bekijken van foto's of scènes. Bij het bekijken van een afbeelding zoekt het oog relevante informatie. Bij het bekijken van een gezicht zijn dat vooral de ogen en de mond, de gebieden die belangrijk zijn bij de gezichtsherkenning. Deze geven ook informatie over de stemming van de ander en diens eventuele intenties.

 
De Russische psycholoog Alfred L. Yarbus heeft intensief onderzoek gedaan naar de manier waarop het oog een afbeelding aftast. Hij deed dit aan de hand van een schilderij van Ilja Repin (1844 – 1930) 'De onverwachte bezoeker' uit 1884.

 
Een man komt een kamer binnen.
Wie is hij?
Werd hij verwacht?
Is hij lang weggeweest?
Aan de hand van dit plaatje heeft de onderzoeker de oogbewegingen van de proefpersonen geregistreerd nadat hen verschillende vragen gesteld zijn.
In een afbeelding weergegeven ontstaan dan dit soort lijnpatronen van de bewegingen die de ogen maken die de afbeelding aftasten:

Het oog scant de afbeelding en zoekt relevante aanknopingspunten.
De vraag bepaalt vervolgens hoe het oog de afbeelding scant.

1. Willekeurig kijken:

2. Hoe zijn de materiële omstandigheden?

 3. Hoe oud zijn de mensen?
 

4. Wat deed men voor de bezoeker binnenkwam?

5. Welke kleding hebben de mensen aan?

6. Waar staan de mensen en voorwerpen in de kamer?

7. Hoelang is de bezoeker weggeweest?

donderdag 3 mei 2012

EEN TRAAN IN DE KUNST

In de beeldende kunst komt een volle, uitbundige lach betrekkelijk zelden voor. Daar is een goede reden voor: het is lastig poseren. Datzelfde geldt voor het tegendeel van de volle lach; het hartstochtelijk huilen. Er is wel heel wat leed te aanschouwen in de schilderkunst. Denk maar eens aan alle Maria's die handenwringend en knielend, de armen ten hemel heffend bij de gekruisigde of van het kruis getilde Christus, maar écht intens huilen is er zelden bij.

Ik laat er een paar zien:

Rogier van der Weyden (1388 – 1464)
Kruisafneming  (tussen 1435 en 1438)
Olieverf op paneel (220 x 262 cm)
Prado, Madrid
Om te beginnen de twee Maria's uit de Kruisafneming van Rogier van der Weyden.
Links zien we Maria in blauw die omvalt als het lichaam van haar zoon van het kruis genomen wordt. Rechts Maria Magdalena, handenwringend met de blik naar beneden gericht op de voeten van Christus.
Dit werk gold eeuwenlang als maatstaf voor de uitbeelding van emoties in de religieuze kunst.

Enguerrand Quarton (1410 – 1466)
Pietà of Villeneuve-lès-Avignon (omstreeks 1455)
Olieverf op paneel (163 x 219 cm)
Louvre, Parijs
Van iets later datum is het grote paneel van Enguerrand Quarton dat in het Louvre te vinden is. Het is een opmerkelijk schilderij. Het gebruik van bladgoud in de achtergrond en de aanwezigheid van halo's rond de hoofden van de afgebeelde heiligen plaats het schilderij in de middeleeuwen. Anderzijds is hij in de schildering van de figuren en de uitdrukking van hun gevoelens verrassend 'modern'.
We zien opnieuw Maria en Maria Magdalena, treurend bij het dode lichaam van Christus. Maria heeft de handen gevouwen in gebed met een intense uitdrukking van verdriet en tegelijk berusting over het lot van haar zoon. Maria Magdalena wist zich de tranen uit de ogen, maar ook haar gezicht drukt vooral sereniteit uit.
De emotie ligt er ook minder dik bovenop dan in het werk van Van der Weyden. 


Peter Paul Rubens (1577 – 1640)
Kruisafname – middenpaneel (1612 – 1614)
Olieverf op paneel (421 x 311 cm)
O.L. Vrouwekathedraal, Antwerpen
Als laatste voorbeeld neem ik de Kruisafname van Rubens.
Links zien we een diep ontroerde Maria die haar hand uitstrekt naar het dode lichaam van Christus, terwijl Maria Magdalena de voeten van Christus ondersteunt. Achter haar knielt nog een andere vrouw met tranen in de ogen.
Het dramatische effect van dit paneel schuilt vooral in de totale compositie die ik u dan ook niet onthouden wil. Rubens heeft alle figuren dicht opeen geschilderd in een nachtelijk landschap. De sfeer is er één van droeve rouw en stilte, het lijkt of geen van de aanwezigen ook maar een miniem geluid maakt. Het lichaam van Christus licht op temidden van de mensen die hem van het kruis afhalen. De compositie is opgebouwd langs een diagonaal van linksonder naar rechtsboven. Alle bewegingen lijken deze diagonaal te ondersteunen. De trap en de dwarsbalk van het kruis vormen een tegenbeweging. De man helemaal linksboven zorgt voor balans.
Het lijkt alsof geen van de figuren de dode echt stevig vast heeft. Iedere houding dient als een ornament dat bijdraagt aan het totaalbeeld.

Hoewel bovenstaande voorbeelden maar een vrij willekeurige greep zijn uit de kunstgeschiedenis, kunnen we constateren dat de uitbeelding van het verdriet zelden 'over the top' is. Natuurlijk, de beide Maria's slaan ogen vol verdriet ten hemel, of laten het hoofd juist hangen, maar het verdriet is beheerst. Er rollen wel degelijk dikke tranen, maar we zien zelden gezichten die hevig vertrokken grimassen vertonen.
Ik kan me voorstellen dat ook daar een hele goede reden voor is; een huilend gezicht ziet er – alles welbeschouwd – bepaald niet aantrekkelijk uit.

Pablo Picasso (1881-1973)
Femme en pleurs (1937)
Olieverf op doek (60 x 50 cm)
Tate Gallery, Londen
Dat valt niet beter te demonstreren dan aan de hand van een schilderij van Picasso. Dat hij wegkomt met dit beeld zonder in theatraliteit en banaliteit te vervallen, heeft alles te maken met het gegeven dat hij geen portret van een huilende vrouw maakt, maar het huilen zélf weergeeft. Hij laat ons de meest rauwe emotie zien die de mens kan uiten.
Met dit schilderij lijkt hij een studie te doen naar hoeveel pijn valt uit te drukken in een menselijk gezicht. Het thema hield Picasso tijdens de Spaanse Burgeroorlog sterk bezig. Het past overigens in de traditie van de treurende Maria's in de piëta's en de kruisafnemingen. Het past ook in de Spaanse traditie van de Mater Dolorosa, de huilende maagd die tijdens de barokperiode populair was. Beeldhouwers maakten felgekleurde en overdreven versierde beelden met tranen van glas of kristal.

vrijdag 20 april 2012

WAT JE ZIET, BEN JE DAT ZELF?

Het oog is een jager en voortdurend op zoek naar informatie uit de buitenwereld. Daarbij spelen individuele verschillen een belangrijke rol. Om maar een variant op het gezegde 'wat je zegt dat ben je zelf' te gebruiken: 'wat je ziet dat ben je zelf'. Voorkeuren en interesses spelen daarin een rol, maar ook zoiets als ervaring.
Illustratief is het resultaat van een Zwitsers onderzoek waarbij men de oogbewegingen van twee groepen automobilisten filmde met een speciale camera. De onderzoekers legden vast waarop beginnende en ervaren autorijders hun blik richten als zij een bocht naderen op een smalle weg. De afbeelding hieronder laat een aantal van deze fixatiepunten zien.



  • Bovenaan zien we dat de ervaren rijder ver vooruit kijkt (10) in de bocht en zelfs een blik opzij werpt (9), terwijl de beginner alle aandacht op de weg voor hem heeft en zich fixeert op de ruimte naast de geparkeerde auto.
  • Daaronder zien we (11 en 12) dat de ervaren rijder alle aandacht richt op de bocht waar eventueel een tegenligger te voorschijn kan komen, terwijl de beginner blijft letten op de ruimte naast wagens die langs de weg staan.
  • Op de onderste afbeeldingen zien we dat de beginnende rijder hoofdzakelijk aandacht heeft voor de ruimte tussen de muur en de geparkeerde wagen (13 en 14). De ervaren rijder houdt juist de bocht in de gaten en vertrouwt op zijn perifere gezichtsvermogen om de juiste afstand tot de muur en de geparkeerde auto aan te houden. Op die manier is hij in staat, als er een tegenligger aankomt, naar rechts uit te wijken en ruimte te maken.

zondag 15 april 2012

CAMOUFLAGE IN KUNST EN NATUUR

Waarneming is niet 'fool-proof'. We roeien met de riemen die we hebben en onder normale omstandigheden voldoen die meestal.
Kijk eens goed naar het onderstaande plaatje. Leuk en kleurrijk is de eerste indruk. Inderdaad. Een schap vol fleurige frisdranken. Op het eerste gezicht althans. Als u beter kijkt, zult u echter iets opmerkelijks zien.


Deze foto is van de 37 jarige kunstenaar Liu Bolin uit China. Als een kameleon neemt hij de kleur en vorm van de achtergrond aan. Niet letterlijk natuurlijk. Hij heeft namelijk zo'n tien uur nodig voor ieder werk. Voor de hele serie kunt u hier terecht.

De kunst van het niet opvallen
Ook de natuur maakt dankbaar gebruik van camouflage. In de wapenwedloop tussen jagers en prooidieren gaat het er vaak om sneller, wendbaarder of slimmer te zijn. Maar je kunt je een hoop ellende en inspanning besparen door niet op te vallen. Of beter nog: onzichtbaar te zijn. De jager kan zodoende zijn prooi in alle rust besluipen en zich pas op het allerlaatste (en fatale) moment aandienen, terwijl een goed gecamoufleerde prooi rustig kan afwachten totdat het gevaar geweken is.
Camoufleren betekent letterlijk 'onopvallend maken; wegmoffelen; onzichtbaar maken'. Het is ontleend aan het Franse camoufler waarin we invloed vinden van camouflet, wat letterlijk betekent 'rook die in iemands gezicht geblazen wordt'. Dit zou zijn overgenomen uit het Italiaanse camufarre dat gevormd is uit capo (hoofd) en mufarre (verhullen).

Camouflage in ontwikkeling
Een voorbeeld van 'camouflage in ontwikkeling' was te zien bij de berkenspanner of peper-en-zout-vlinder (Biston betularia) in Engeland.
 


Tot 1848 was deze altijd grijs gespikkeld, maar in dat jaar nam men in Manchester voor het eerst een volledig zwart individu waar. Deze vorm nam vervolgens snel in frequentie toe. Omstreeks 1900 bestond zelfs 95% van de populatie in geïndustrialiseerde gebieden uit donkere exemplaren.
'Geïndustrialiseerde gebieden' vormt een belangrijk sleutelbegrip in dit verhaal. Vervuiling door zwaveldioxide doodde namelijk het korstmos op boomstammen en maakte de stammen donkerder. En aangezien de berkenspanner zijn dagen doorbrengt op de stammen, waren de lichte exemplaren een dankbare prooi voor vogels. Vlinders in landelijke gebieden hadden hier geen last van en daar was de lichte uitvoering nog volop aanwezig en de donkere variant een uitzondering.
Door wetgeving die de uitstoot van schadelijke stoffen beperkte, namen in de loop van de 20ste eeuw de concentraties zwaveldioxide sterk af en dat had weer invloed op de boomstammen én op de toename van de lichte exemplaren in gebieden waar de donkere een tijdlang dominant waren.